De blinde vlek
Waarom de beste scholen weigeren te kiezen tussen kwaliteit en gelijkheid
Hallo, In deze nieuwsbrief deel ik af en toe een handvol korte inzichten over leren, denken, leven en werken. Let’s go!
Een paar edities geleden haalde ik Suleika Jaouad aan. Ze schrijft haar eerste drafts altijd met de hand, zei ze in de podcast How I Write. Niet als romantisch ritueel, maar als technische keuze: de computer vraagt om formaliteit, papier vraagt om spel. Op de computer begin je te editen voor je weet wat je wilt zeggen.
Ik ben dat sindsdien blijven tegenkomen. Donald Murray, schrijver en schrijfdocent, zei hetzelfde maar anders: typen fixeert dingen. Het is handig als je al weet wat je wilt, maar dodelijk in de vroege fase. Met pen op papier blijft iets los. Je kunt dwarsstrepen, pijlen trekken, in de marge schrijven. De gedachte is nog niet af en mag dat ook niet zijn.
Voeg daarbij ook nog het tactiele van papier en je snapt waarom ik dit jaar toch heb teruggegrepen naar schrijfblok en pen.
De voorbije week heb ik het boek Zwarte Zwanen van Iliass El Hadioui gelezen. El Hadioui is socioloog en onderzoeker, en het boek gaat over iets dat op papier contradictorisch klinkt: scholen met veel kansarme leerlingen die toch bovengemiddeld presteren. Tien procent van alle basisscholen, wereldwijd, in zestig landen. Zwarte zwanen, dus.
Wat maakt die scholen anders? El Hadioui begint bij een aanname die zo diep zit dat ze bijna onzichtbaar is geworden: dat kansengelijkheid en onderwijskwaliteit op gespannen voet staan. Verlaag je de lat om meer leerlingen mee te nemen, of houd je hem hoog en accepteer je dat sommigen achterblijven? Dat of-of-denken, schrijft hij, is de blinde vlek. Zwarte zwanenscholen kiezen niet. Ze verhogen de lat en ondersteunen leerlingen actief om er te geraken.
Één van de mechanismes die hij beschrijft, is code-switchen. Leerlingen die opgroeien tussen verschillende leefwerelden, thuis één taal en gedragscode, op school een andere, moeten continu schakelen. Dat klinkt onschuldig, maar El Hadioui noemt het wat het is: arbeid. Cognitieve arbeid, vergelijkbaar met wat sociologen emotional labour noemen. Die arbeid kost capaciteit. Capaciteit die dan niet beschikbaar is voor het leren zelf.
Zwarte zwanenscholen maken dat switchen bewust lichter. Ze scheppen ruimtes, zowel fysiek als sociaal, waar leerlingen niet hoeven te kiezen tussen wie ze thuis zijn en wie ze op school zijn. Niet door de schoolse codes af te schaffen, maar door leerlingen actief te begeleiden in het bewegen ertussen.
Aansluitend beschrijft El Hadioui wat hij inclusieve didactiek noemt, en hij illustreert het met een lesobservatie die schrijnend herkenbaar is. Een leraar stelt een vraag. Twee leerlingen roepen het antwoord. Andere leerlingen steken hun vinger op maar worden niet gezien. De les gaat verder. Steeds dezelfde stemmen, steeds dezelfde stille massa. Een inclusieve didactiek is er een waarbij alle leerlingen actief participeren, niet de leerlingen die toch al het meeste hebben.
Het derde inzicht dat mij bleef hangen, gaat over regels. Scholen die worstelen met klasklimaat, voegen vaak regels toe. Meer regels, meer structuur, meer controle. El Hadioui draait het om: een sterker gemeenschappelijk normatief kader gaat samen met minder regels, niet meer. De oproep tot meer regels is eigenlijk een symptoom: er is geen gedeeld kader. Zwarte zwanenscholen kenmerken zich niet door striktheid, maar door helderheid. Iedereen weet wat verwacht wordt, en dat staat niet in een reglement maar in de cultuur van de school.
Robert Pondiscio schreef een interessant stuk over de redenen waarom sommigen zich zo blijven verzetten tegen een kennisrijk curriculum. Een heel deel van de redenen zijn al vaak aangehaald (en gedebunkt). Maar er was er eentje die ik wil interessant vond
We behandelen curriculum vaak nog enkel als een resource: een gereedschapskist waaruit leraren naar eigen inzicht putten. Wat je gebruikt, kies je zelf. Het uitgangspunt is autonomie, vertrouwen in de leraar als professional.
Terwijl we curriculum meer moeten zien als een routekaart: een coherente, cumulatieve leerlijn die bepaalt wat leerlingen op welk moment leren, zodat elk nieuw inzicht voortbouwt op het vorige.
Dat klinkt misschien als een technisch debat over onderwijsontwerp. Maar het is dat niet. Het is een debat over wat je eigenlijk gelooft over leren. Als je denkt dat leren vooral gaat over het verwerven van vaardigheden die je overal kunt inzetten, dan is een losse gereedschapskist logisch. Kies de tools die bij deze klas passen.
Als je denkt dat leren gaat over het opbouwen van kennis waarbij elk nieuw stuk aansluit op wat er al is, dan is een cumulatieve leerlijn geen bureaucratische beperking. Dan is het de enige manier waarop het werkt. Voor leerlingen die thuis weinig bouwstenen meekrijgen, is die coherentie geen luxe. Het is compensatie.
En dan nog een leestip. Transcriptie van Ben Lerner is een kort boekje, nog geen 150 bladzijdes. Maar je moet het wel twee keer lezen. Dat is toch iets wat ik me heb voorgenomen. Want na de eerste lezing blijf je op je honger zitten. Of misschien is het eerder het gevoel dat het boek je door de vingers is geglipt. Je dacht dat je het had, maar toch net niet. Alsof je de genialiteit van het boek wel voelt, het zit er in, maar je het net niet kan vastgrijpen. Daarom moet je het nog eens lezen. Super intrigerend verhaal. Lezen.
Tot volgende week! Rinke
Is je koffie koud geworden na het lezen van deze nieuwsbrief? Dan was het misschien de moeite. Stuur ‘m gerust door naar iemand bij wie dat ook zou kunnen gebeuren.
Zo schrijf ik deze nieuwsbrief
De Koffiepauze begint bij wat ik lees. Ik gebruik Readwise Reader als mijn leesapp voor artikels, newsletters en lange reads, en sla daar mijn beste highlights op. Die highlights vormen het vertrekpunt voor wat ik hier schrijf.
Wil jij ook Readwise gebruiken om bij te houden wat je leest? Via mijn link krijg je 60 dagen gratis toegang om het zelf te proberen.


